Al vijftig jaar maak ik fietstochten met collega’s uit Amsterdam. Oud-collega’s inmiddels. De meeste zijn al lang met pensioen. Het zijn vooral zeventigers, een enkele tachtiger, maar ook een vijftiger en een zestiger. In den beginne waren we van Stadsontwikkeling Amsterdam, later werd dat de gemeentelijke dienst Ruimtelijke Ordening. Het begon allemaal met een geintje.
OP DE DIENSTFIETS NAAR EINDHOVEN
Ergens in 1970 waren kamergenoten Aad en Henk weer eens in een jolige bui. Henk vertelde dat hij wel een keer naar het Evoluon in Eindhoven wilde, Aad vond dat wel een leuk idee en stelde voor mee te gaan. “Ja”, zei Henk lachend, “maar ik wil wel op dienstfietsen”. En zo fietsten de twee mannen op een zaterdag in september 145 kilometer op een zwarte Simplex van Amsterdam naar Eindhoven. Nogal een prestatie, omdat de Simplex dienstfietsen in die tijd behoorlijk zwaar waren en geen versnellingen hadden. Maar, als je eenmaal op gang was, dan ging het haast als vanzelf. Tot dat je weer ergens moest stoppen natuurlijk.
Andere collega’s van Stadsontwikkeling waren behoorlijk onder de indruk van wat Aad en Henk hadden gedaan. Maar tegelijkertijd waren ze ook erg jaloers, dat hadden zij ook wel willen doen. En zo ontstonden er gesprekken om een keer een grotere fietstocht te ondernemen.
VAN LUXEMBURG NAAR AMSTERDAM
In mei 1976 gingen we met zo’n twintig mannen en vrouwen en hun fietsen met de trein van Amsterdam naar Luxemburg. Dat kon toen nog zonder te hoeven overstappen. Wij kwamen laat in de avond aan. Wij fietsten de stad uit op zoek naar een plek om te kamperen. Een camping zagen we niet zo gauw, dus kozen we ervoor om maar in het bos naast de weg te gaan staan. In het donkere bos werden de tenten, zo goed en zo kwaad als het ging, opgezet. De volgende dag zagen we bij daglicht waar we stonden: toch eigenlijk wel dicht bij de weg.

Voor bijna iedereen was dit de eerste ervaring met fietsen door de bergen. Lange bestijgingen, maar ook snelle afdalingen. Natuurlijk kostte het eerste veel moeite en was het tweede erg leuk voor de Amsterdammers van het platteland. Na drie dagen waren wij weer terug in onze eigen stad en hadden we allemaal een trots gevoel: dat doen we nog een keer.
IEDER JAAR OP PAD
Na Luxemburg zijn we ieder jaar twee keer op pad gegaan. In het voorjaar maakten we meestal een tocht van bijna een week buiten Nederland, in het najaar beperkten we ons tot een weekend binnen Nederland. Voor de voorjaarstochten zochten we bergachtige gebieden op in België, Luxemburg, het noorden van Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië. Er zijn zelfs tochten geweest in Zuid-Frankrijk en Denemarken. De reizen ernaartoe waren meestal met de trein. Eén keer wist iemand een bus van het GVB te charteren, waarin iedereen met fietsen en al werden meegenomen. De bus reed met een gangetje van een stadsbus van Amsterdam naar Hamelen in Duitsland.

GEEN GROTE TOCHTEN MEER
Vijftig jaar later doen we geen grote tochten meer. De gemiddelde leeftijd van de fietsers is een stuk hoger geworden, ondanks dat de oudsten (waaronder Aad en Henk) inmiddels zijn gestopt. Wij gaan nog wel twee keer per jaar fietsen, maar dat is allebei de keren vanaf één camping als uitgangspunt. En dat is ook iedere keer weer binnen Nederland.
Eén ding is wonderwel in stand gebleven. De voorjaarstocht was altijd in de week waarin Hemelvaartsdag valt, en dat is nog steeds zo. Het is allang zo dat ambtenaren de vrijdag na Hemelvaartsdag een verplichte vrije dag hebben, dus dat scheelt in het aantal vakantiedagen dat je moet opnemen. Nu is dat eigenlijk niet meer nodig, omdat de meesten met pensioen zijn. Bovendien, we gaan niet eens meer de hele week, hooguit van Hemelvaartsdag tot de zondag erna. Maar goed, traditie wil natuurlijk ook wat. En de drukte op de campings nemen we maar op de koop toe.
VAN EENVOUDIG NAAR GOED UITGERUST
Bij de eerste tocht van Luxemburg naar Amsterdam fietsten we er nog wat minder luxe bij dan we nu doen. We reden met trekkerstentjes rond, die ook werden gedeeld, soms zelfs met drie man. We gingen op fietsen die we thuis hadden staan. Daar waren racefietsen (met een krom stuur) bij, maar ook gewone stadsfietsen. Geen van beide echt ideaal voor toertochten in de bergen. De fietstassen waren wat we toen bij V&D konden kopen en die beschermden je zeker niet tegen de regen. Ook de regenkleding was maar zozo: of te licht en dat hield je niet echt droog, of zware pakken waarin je zo zweette waardoor je ook niet droog bleef.
Maar later groeide de uitrusting van bijna iedereen van eenvoudig naar goed uitgerust. De tentjes werden lichter, ze werden niet meer gedeeld of het moet met je levenspartner zijn. De fietsen werden echte toerfietsen met derailleur en een arsenaal aan versnellingen. De fietstassen en de regenkleding werden van goede kwaliteit.
EN NU IS HET PURE LUXE
En nu worden de fietsweekenden in pure luxe gedaan. De meeste fietsen zijn nu elektrisch. Regenkleding is niet meer nodig, want we hebben vrijwel altijd mooi weer. En mocht een keer slecht weer worden verwacht, dan gaan we gewoon niet. Wij eten alleen nog het ontbijt bij de tent, voor het eten tussen de middag en ‘s avonds gaan we naar restaurants.
DE CAMPER IS ERBIJ GEKOMEN
De meeste fietsers slapen ondanks hun leeftijd nog in tentjes. Maar er zijn altijd wel één of twee campers bij. De bezitters daarvan zijn letterlijk uit het tentje gegroeid. Natuurlijk wordt dat een stuk gemakkelijker gemaakt, nu we geen trektochten meer maken. Maar soms sta je er wel bij als een Gulliver tussen de dwergen.

Wil je reageren op deze blog? Ga dan met de groene knop naar de postbus van deze website. Wil je er ook bij vermelden op welke blog je reageert?
Wil je deze blog met anderen delen? Dan mag je met de blauwe knop naar LinkedIn en met de rode knop naar Pinterest; met de oranje knop stuur je een mail naar een bekende van je om hem of haar te laten weten dat je de blog interessant vindt. Bedankt voor de door jou getoonde interesse in deze blog.